Afgelegen
D. Solander
- 4 minuten leestijd -Afgelegen
Bij een van de boerderijen kwam een hondje op Peter af rennen. Hij had het nog nooit gezien, groette het vriendelijk en stapte door. De bushalte was immers nog ver weg. Het beestje blafte niet, maar liep rustig naast hem. Soms een eindje vooruit, maar dan bleef het bij de volgende boom wachten, hem strak in de gaten houdend. Het was wel vermakelijk in het begin, maar gaandeweg begon hij ongerust te worden. Het dier, dat toch zeker bij de boerderij hoorde waar hij het het eerst gezien had, was nu al minstens een kilometer van huis. Zou het de weg terug vinden? Moest hij iets doen?
Eerst aarzelend, maar later steeds duidelijker, probeerde hij het hondje terug te sturen. Het keek hem vertwijfeld aan, alsof het nadacht waarom hij het niet aardig vond, leek dan te blijven zitten of zelfs een stukje terug te lopen, maar honderd meter verder huppelde het dier alweer voor hem uit.
De bus arriveerde, hij stapte in en het hondje kwam mee.
— Meneer, honden aangelijnd alstublieft, zei de chauffeur.
Zonder te antwoorden pakte hij het hondje en smeet het zo ver mogelijk van zich af. Het kwam bij de slootrand terecht.
— Deur sluiten en rijden, beet hij de chauffeur toe. Dat beest is niet van mij.
De chauffeur keek hem vijandig aan, maar sloot de deur. Omdat de bus zo hard optrok, struikelde hij voor hij bij een vrije zitplaats was en moest zich aan de stangen vasthouden om niet op een oudere dame te vallen.
Eenmaal in de trein naar Amsterdam voelde hij zich doodvermoeid en de dag moest nog beginnen. Hij had beter de auto kunnen nemen, maar gezien een feestje op het werk had het hem aantrekkelijker geleken de bus te pakken. Een ochtenwandeling doet je goed, had hij gedacht.
De dag verliep zonder incidenten. Hij begon al te wennen aan zijn nieuwe baas, na de reorganisatie. Hij kende natuurlijk nog niet iedereen, maar misschien kon hij op het feestje met wat nieuwe mensen praten. Groningen en Amsterdam waren samengevoegd, en een aantal van de Groningers was meegekomen naar de vestiging in Amsterdam.
Hij pakte een biertje van een dienblad, kwam zijn oude baas tegen, en maakte een praatje met hem. Vroeg hem wat hij van plan was te gaan doen in zijn pensioen. Hobbies?
— Ja, Peter. Ik ga veel meer tijd steken in mijn schilderen.
— Oh ja, je ging naar een schildercursus, toch?
— Precies. Nou, ik kijk er naar uit om uren per dag bezig te zijn met mijn schilderijtjes.
Een jongen van een jaar of dertig kwam bij hen staan. Hij stelde zich voor als Erik.
— Wat een leuke hobby, ik doe een schrijfgroepje, mengde hij zich in de discussie. Is het niet geweldig om creatief bezig te zijn? Je gaat helemaal anders naar de wereld kijken. Ik heb het gevoel dat ik veel sneller met mensen in contact kan komen, sinds ik ben gaan schrijven. Je bestudeert karakters, weet je?
Het gesprek kabbelde door, en Peters gedachten dwaalden af.
— Peter, ik hoorde van Arnout dat jij helemaal bij Hoorn woont.
Zijn nieuwe baas had zich bij het groepje gevoegd.
— Klopt, bij Berkhout. Dat is nog twintig minuten verder. Of eigenlijk achter Berkhout dus.
— Wow, in the middle of nowhere! zei Erik. Is dat niet eenzaam?
— Afgelegen, zei Peter kortaf. Dat is wat anders dan eenzaam.
Dat was waar. Maar sinds Els weg was, was het ook eenzaam.
Aan het einde van de receptie kwam hij Erik weer tegen, met een groepje collega’s, allemaal mensen die hij niet kende. Ze nodigden hem uit nog iets te gaan drinken in een cafe.
Eenmaal daar aangekomen, kwam Erik naast hem zitten en hoorde hem uit over de boerderij. Hij wilde alles weten. Hoe oud het gebouw was, wat hij er aan verbouwd had, of hij er alleen woonde, of hij ook dieren had.
Op een gegeven moment had Peter er genoeg van en kondigde aan naar het station te moeten.
— Oh, ik moet ook die kant op.
Peter reageerde niet, maar toen hij het cafe uit liep kwam Erik achter hem aan. Ze liepen zwijgend naar het station.
— Waar woon jij, vroeg hij uiteindelijk toch maar.
— Oh, momenteel bij een neef in Diemen. Op zoek naar een eigen huis.
Zwijgend liepen ze de hal van het Centraal Station binnen. Hij zwaaide Erik gedag en sloeg linksaf naar zijn perron. De trein zou vijf minuten later vertrekken.
Vlak voor de vertrektijd kwam Erik ineens naast hem zitten.
— Hee, Peter. Weet je wat? Ik ga met je mee. Wel zo gezellig, toch?