Dichten en openen
D. Solander
- 2 minuten leestijd -Op de schrijfgroep gingen we dichten. Eerst lazen we en luisterden we naar liefdesgedichten van Hagar Peeters.
Daarna was de opdracht om ingrediënten te verzamelen:
- Door wie wilt u bemind worden.
- Hoe merkt u dat deze persoon u bemint?
- Verzin een metafoor voor deze liefde.
- Wat zou u met deze persoon doen?
De antwoorden op vragen 2 en 4 wist ik niet, en bij 1 had ik een vreemd lijstje waarin personen en dingen elkaar afwisselden: R, S en J, het water, de zon en het meisje in de speeltuin. Geen abstracties. Gelukkig geen abstracties!
Bij punt drie koos ik het meest voor de hand liggende.
Toen moesten we er in tien minuten een gedicht uitpersen, want oefening baart kunst. Eerst waren er geen weeën, maar toen kwam er iets op gang en na wat puffen en een kleine knip zetten, hield ik de volgende kleine van twijfelachtige levensvatbaarheid aan de borst:
Afspraak
De aanbedene,
het meisje in de speeltuin,
of toch de zomerse collega,
die haar nieuwe naam nog niet weet.
De lachende aanbedene,
op afstand,
ver als de maan.
Stilzwijgende, vanzelfsprekende maan.
Maan die er altijd is.
Vanzelf spreken we, spreken we af,
in de speeltuin op het bankje,
het zomerse meisje en ik,
naar de maan te kijken, samen
een geheim te bewaren.
Nou wordt er in zo’n schrijfgroep een sfeer gecreëerd waar je vooral naar de mooie kanten van je drol kijkt, en zo ontspon er zich een enthousiaste discussie over mijn gedicht. Ik mocht het zelfs nog een tweede keer voorlezen.
Ik heb de versie die je hier leest natuurlijk een beetje aangepast, naar aanleiding van die discussie.
De anderen schreven ook mooi. Alleen had ik het soms druk met de koffie en de thee en het afstappen van mijn dichterswolk, en dan is luisteren razend moeilijk. Ik moet leren luisteren.
Ik moet me openen.
Hulde aan de schrijfgroep.