Barfußweg
D. Solander
- 6 minuten leestijd -Fragment uit een lang verhaal
Hij was er veel te vroeg, op de parkeerplaats op vijfhonderd meter van de Oostenrijkse grens. Het was prachtig herfstweer, nog tegen de twintig graden, windstil. Er stonden een paar andere auto’s op de parkeerplaats. Lesník liet zijn jas in de auto en wandelde de landweg op.
Hij kwam bij een grote open plek tussen het bos en een wijngaard. Aan de rand ervan was een picknickplaats met een bank en een tafel. Midden op de open plek stond een groot, wit colonnade-achtig gebouw. Het was eigenlijk een uitgebouwde ereboog, met zuilengangen aan beide kanten. Het dak was over de gehele lengte voorzien van een ballustrade. Het gebouw was nogal pompeus. Er liepen groepjes toeristen rond, vooral gezinnen.
Lesník wandelde naar het gebouw om het opschrift te lezen.
“DER SOHN DEM VATER / DER BRUDER DEN BRÜDERN,” stond er op de naar hem toegekeerde kant. Hij liep onder de ereboog door, keek omhoog naar het plafond, stapte aan de andere kant weer het gras op en las: “DEN MANEN DER UNVERGESSLICHEN / DER EINZIG ÜBERLEBENDE SOHN”.
Hij had nog een half uur tot de afspraak, vloekte binnensmonds op Kozlov en diens symbolenspel, en voelde zich door de gezinnetjes bekeken. Hij besloot terug te lopen naar de auto.
Toen hij bij de picknicktafel terugkwam zat er een vrouw. Hij schatte haar een jaar of dertig, vijfendertig. Ze had haar knieën opgetrokken, de armen eromheen geslagen, en keek naar Lesník. Op de tafel stond een mand, met een theedoek bedekt.
Terloops registreerde hij haar voorkomen. Donkerbruin, bijna zwart, los lang haar. Lang, slank. Atletisch, licht gebruinde huid. Ze droeg een linnen jurk, ook bruin.
Toen hij naderbij kwam zag hij dat ze bruine ogen had, met iets groens erin. Ze keek hem zonder te knipperen aan. Hij deed zijn best niet te staren, er ondanks zijn slechte humeur vriendelijk uit te zien.
— Grüß Gott, probeerde hij. Ze glimlachte en beantwoordde de groet, ook in het Duits. Daarna ging ze over in het Tsjechisch.
Hij wilde al verderlopen, maar ze verwijderde de theedoek en pakte een mes uit de mand.
— Ah, paddestoelen, zei Lesník. Mag ik even kijken?
Ze wees op de lege plek op het bankje, naast haar blote voeten, gebaarde dat hij kon gaan zitten. Hij zocht, maar kon haar schoenen nergens zien liggen.
Hij keek haar nog eens goed aan. Om de hals droeg ze een klein, maanvormig hangertje. Hij schoof een beetje op. Ze wiebelde met haar tenen.
— Blote voeten? vroeg hij.
— Ja, ik heb de blotevoetenwandeling gedaan. De Barfußweg, die loopt van daar naar hier en weer terug.
Ze wees in de richting van Oostenrijk.
— Koud zeker?
— Dat viel mee. Het is zonnig. Ik ben na de lunch vertrokken, uit Schrattenberg. Het gras was al droog.
— Laat eens zien wat u heeft.
Hij keek in het mandje. Eekhoorntjesbrood, cantharellen herkende hij, maar hij zag ook paddestoelen die hij niet kende. Ze nam een van de paddestoelen en begon hem met het mesje schoon te maken. Ze bleef haar tenen bewegen.
— Ik wacht hier op iemand, zei hij maar. Toen ben ik even bij de colonnade gaan kijken.
— En, mooi? Iets gevonden?
— Der Sohn dem Vater, der Bruder den Brüdern. Ik weet er niet veel van, maar ik neem aan dat een zoon dit voor zijn overleden vader en broers heeft gebouwd. Dat staat er eigenlijk ook op, aan de andere kant. Der einzig überlebende Sohn.
Even was het stil.
— Ik ben enig kind, zei hij. Mijn vader leeft nog.
— Dat weet ik, zei ze.
Ze keek hem kalm aan. Even zaten ze stil, genietend van de herfstzon.
— Ik had me nog helemaal niet voorgesteld, ik ben Daniel.
— Didi.
Ze gaven elkaar een hand. Daarna pakte ze het mesje weer op en ging door met haar werk. De schoongemaakte paddestoelen legde ze op de doek, de afgesneden lelijke en vieze delen gooide ze op de grond. Hij rook de geur van de paddestoelen.
— Mijn vader leeft nog, maar hij drinkt elke dag, eet ongezond en het enige wat hij doet is mopperen, brommen, en vloeken.
Zijn moeder kafferde de oude Lesník onbeschaamd uit. Zijn vrouw en dochter zeiden niets, bleven stil en probeerden de man te ontwijken. Hij beperkte zich tot praktische zinnen. Je moet thuiskomen, vader.
Er kwam een gezinnetje aangewandeld, van de colonnade. Ze liepen langs de picknicktafel, groetten Didi en Daniel, en verdwenen in de richting van de parkeerplaats.
— Wat zijn het voor paddestoelen? Wij plukken alleen eekhoorntjesbrood en cantharellen, mijn vrouw is als de dood om vergiftigd te worden.
— En uw moeder, heeft die geen verstand van paddestoelen?
— Dat weet ik eigenlijk niet. Zij is altijd bij het huis bezig, met de dieren en de moestuin. Vroeger ging ze naar de school. Ze was directeur van het gymnasium. Eerlijk gezegd ben ik de enige die van de natuur houd, van wandelen, paddestoelen verzamelen. Maar ik heb me er nooit in verdiept.
— De kennis van paddestoelen moet je van iemand leren. Dat staat niet in boeken.
Daar had ze gelijk in.
— U wacht op iemand? vroeg Didi.
Kozlov. Lesník keek op zijn horloge. Didi’s tenen begonnen sneller te bewegen.
— Dat klopt. Was het een lange wandeling?
— Twee kilometer vanuit Schrattenberg. Straks loop ik terug. We zitten er in een hotel. Het is een wellness-hotel. Met een zwemvijver.
Lesník stelde zich voor dat ze er ’s ochtends ging zwemmen. Hij keek weer naar Didi’s voeten. De tenen waren gestopt met bewegen.
— U heeft hier een ontmoeting met iemand, bij een monument in het bos, dat iemands vader herdenkt.
Hij knikte. Ze pakte een paddestoel op.
— Deze groeien altijd in de buurt van eiken, voeden zich met wat de boom overlaat.
Ze keek nu serieus, ze keek hem weer zo strak aan als een paar ogenblikken geleden, net voor ze waren begonnen te praten.
— De wortels van de oude eik zijn rot. De regen houdt hem nog in leven, maar hoe zorgen we dat er geen storm komt?
Er stroomde een blauw sap uit de paddestoel in haar hand. Was het wel een eetbare paddestoel, vroeg hij zich onwillekeurig af. Hij keek naar de open plek en zag een eik, naar Didi’s tenen, het mesje, het bouwwerk, het hangertje. De regen. De storm. Er was geen storm maar met een verbeeldingskracht die hij van zichzelf niet kende zag hij een storm over het land trekken, naar hen toekomen. En toen zag hij zichzelf in de auto stappen en naar Kunovice rijden zonder met Kozlov gesproken te hebben. Hij zag zichzelf bij Martin langsgaan zoals vroeger, om wat te praten. Didi’s tenen begonnen langzaam weer te bewegen.
De lucht was helder. Hij was terug in een zonnige herfstdag zonder storm. Er liepen gezinnen op de open plek. Een vrouw schreeuwde iets naar haar kind.
— Ach, het is gewoon iemand die ik ken via het werk. We moeten nog wat zaken bespreken. Het nuttige met het aangename combineren.
Haar blik veranderde. Ze zei niets meer, ging verder met het schoonmaken van de paddestoelen. Toen hij opstond en afscheid nam, groette ze niet. Teruglopend naar de parkeerplaats voelde hij haar boos kijkende ogen in zijn rug.